Recensie: Cradle to Cradle – inspirerend, deprimerend, intrigerend

Regelmatig lees ik een ouder boek, en vraag me af: relevant of (inmiddels) rotzooi? Pareltje of papierbak? Uit 2002 stamt Cradle to Cradle van Michael Braungart en William McDonough. In 2007 kwam er een Nederlandse uitgave, met Nederlandse voorbeelden. Ik vond het een pareltje! En vroeg mij steeds af: waarom wist ik dit niet? En: waarom is hier niets mee gebeurd? Het uitgangspunt van het boek is: we moeten méér consumeren, want afval is voedsel voor iets nieuws en goed voor de aarde. Okeeeeeee.

Bij de allereerste zin zit ik al druk te schrijven, en daar houd ik niet meer mee op. Wat een inspirerend boek! En ik begrijp het uitgangspunt ook: wanneer je ‘voedende’ zaken ontwerpt en maakt, regeneratief zouden we nu zeggen, dan is dat ook goed voor de aarde. Het ermee samenhangende energieverbruik kan véél efficiënter, dus dat hoeft geen bezwaar te zijn. De onderbouwing lijkt te kloppen, en de oplossing is dus zeer eenvoudig. Maar dan …. zie ik dat heel veel initiatieven óf niet van de grond zijn gekomen, óf een stille dood stierven. Dat is dan weer deprimerend. Maar ook intrigerend: waaróm toch?

Het duurzaamheidsboek Cradle to Cradle …

… begint verrassend genoeg met mijn favoriete ‘verbruiksvoorwerp’, namelijk boeken. De Amerikaanse uitgave van dit boek is gedrukt op polymeren, die oneindig recyclebaar zouden zijn, zonder kwaliteitsverlies. Synthetisch papier. En de inkt is opnieuw te gebruiken, zonder chemische oplosmiddelen. Het boek kan volledig geüpcycled worden, stellen de auteurs. (Het wordt er mijn inziens niet beter van, maar gelijkwaardig, dus klopt dit wel?). Echter, de Nederlandse uitgave is gemaakt van milieuvriendelijk papier, want ‘in veel landen, zoals Nederland, duren veel dingen nét wat langer’.  

In de inleiding wordt direct gesteld dat Europa bezig is met consuminderen en minimaliseren, terwijl men in de US door gaat met consumeren ‘alsof er nooit een einde komt aan de overvloed’. We hóéven ook helemaal niet te consuminderen, zeggen de auteurs, als álle grondstoffen terugkeren in de biologische of technische kringloop. Hoe beter een product verkoopt, hoe sneller zo’n kringloop gesloten kan worden. Ik vroeg me gelijk af hoe dat dan gaat met de benodigde energie om zaken uit elkaar te halen, en weer samen te voegen tot iets nieuws. (Dat bleek destijds ook gelijk de meest gangbare kritiek te zijn op het boek: met die energie, en ook het transport dat met recycling samenhangt, is geen rekening gehouden.) Wél gaan de auteurs in op betere vormen van energiewinning: zon en wind, en het gebruik van traditionele methoden voor verwarmen en koelen.

Een andere, interessante stelling: het gaat niet om eco-efficiency (minder verbruik) maar om eco-effectiviteit (goed voor het milieu). Het gaat om álle onderdelen hergebruiken. We zouden een voorbeeld moeten nemen aan Aziatische tradities; als je in sommige streken in China voor het eten wordt uitgenodigd is het onfatsoenlijk om te vertrekken zonder de wc te gebruiken. De gastheer wil zijn waardevolle voedingsstoffen terug. (Voor mest op de akker, vraag ik me dan af? Anno nu lees je wel over kleine experimenten daarmee, maar de bacteriën en met name medicijnresten erin werpen een barrière op).

Standaardisatie en het bbp

Maar nu naar de onderbouwing van de mogelijkheid om volledig Cradle to Cradle te werken, de rest van het boek dus. Interessant is het stuk over de ellende van standaardisatie. Neem (af)wasmiddelen:  in gebieden met zacht water is minder reinigingskracht nodig, en het afvalwater gaat óf naar visrijke stromen, of naar een rioolzuiveringsinstallatie. Maar denk je dat de producenten rekening houden met deze lokale verschillen? Welnee, ze ontwerpen voor de meest slechte omstandigheden, zodat ze hetzelfde product overal kunnen verkopen. Ze ontwerpen ‘brute kracht’.  

De diversiteit van de natuur én de cultuur is de vijand, niet iets waar je je ontwerpen aan aanpast. Denk aan onze woningbouw en aan de landbouw: monocultuur en standaardisatie is het efficiëntst. Zo worden natuurlijke bestrijdingsmiddelen (’onkruid’ wat aantrekkelijk is voor vogels, die ongedierte opeten) verwijderd en vervangen door kunstmatige, waartegen het ongedierte snel resistent wordt. Bijzonder kortzichtig, dit.

En net zo kortzichtig is onze definitie van voorspoed: het bbp. In 1991 lekte er olie uit de Valdez bij Prince William Sound in Alaska. Dat was hééél goed voor de voorspoed van dat gebied. Huh? Ja, heel veel mensen kwam helpen opruimen, heel goed voor de plaatselijke middenstand en het bbp.

Goed voor de portemonnee, slecht voor de gezondheid

Er zijn veel producten die betaalbaar zijn, aan de verwachtingen van de gebruikers voldoen en ook goed zijn voor de fabrikant, maar die niet zijn ontworpen om goed te zijn voor de menselijke en ecologische gezondheid. Polyester kleding en PET-flessen zijn ‘producten plus’: ze bevatten antimoon, een giftig zwaar metaal. Het levert alleen maar nadelen op bij dragen en afvalverwerking. Waarom zit dat erin? De materialen worden ingekocht in landen met weinig wetgeving rond schadelijke stoffen. En schadelijke stoffen zijn ooit niet expres in de producten gestopt, maar het is wél een kwestie van nalatigheid om nú niet intelligenter te ontwerpen. Verandering is nodig!

Eco-efficiency en eco-effectiviteit

Eco-efficiency werd ‘geboren’ in 1992 bij de Wereldmilieutop in Rio de Janeiro, is gericht op minder verbruik van natuurlijke hulpmiddelen en minder vervuilen, en kan worden vertaald in beperken, hergebruiken,  recyclen en reguleren. Maar beperken levert nog steeds gezondheidsschade op, nu door fijnstof, en het probleem is dus niet weg. Hergebruik lijkt een goed idee, maar de schadelijke stoffen verdwijnen hierdoor niet, rioolslib dat als kunstmest wordt gebruikt kan dioxinen en zware metalen bevatten. Recycling is vaak downcycling, er een minder waardevol product van maken. De goede materiaaleigenschappen gaan verloren, en soms levert het extra gezondheidsrisico’s op. Daarbij is recycling heel duur, omdat de producten eenvoudigweg niet ontworpen zijn om gerecycled te worden!

Dan naar eco-effectiviteit, wat gaat over het geheel anders ontwerpen van producten, niet de bestaande producten minder slecht maken. We kunnen voor een voorbeeld van eco-effectiviteit naar een mieren-kolonie kijken. De gezamenlijke biomassa van mieren is groter dan die van mensen maar hún ‘bevolking’ vormt geen probleem voor de rest van de wereld. Alles wat ze gebruiken is biologisch afbreekbaar. Ze recyclen ook het afval van andere soorten, hiermee voeden ze hun schimmeltuinen. Door hun activiteit brengen ze mineralen naar het aardoppervlak, voedingsstoffen voor planten en schimmels. Ze maken doorgangen, die goed zijn voor de waterafvoer. Ze spelen dus een belangrijke rol bij het gezond maken en houden van de grond. Ze maken van de wereld een betere plek. Meer mieren is geen probleem. Groei is in de natuur géén probleem.  

En nu wij: bijna elk productieproces heeft neveneffecten, en die van ons zijn overwegend negatief. Waarom zouden ze niet positief kunnen zijn? Eco-effectief ontwerpen kijkt naar het hoofddoel van een product, maar óók naar de effecten! Denk aan de daken met aarde en planten: isolerend en verkoelend, produceert zuurstof, neemt regenwater op en absorbeert roetdeeltjes. O ja, het ziet er ook nog eens heel mooi uit! Waarom zien we niet meer groene daken?

En waarom hebben we geen/ niet meer:

  • Gebouwen die meer energie produceren dan ze verbruiken
  • Fabrieken die afvalwater lozen van drinkwaterkwaliteit
  • Producten die bij weggooien als voeding dienen voor planten en dieren
  • Vervoermiddelen die de lucht zuiveren

De biologische en technische kringloop

Er zijn dus twee kringlopen: de biologische en de technische. We moeten ervoor zorgen dat deze elkaar niet besmetten! Er mogen dus geen kankerverwekkende (technische) stoffen in de biologische kringloop terechtkomen. En biologische stoffen moeten we niet toevoegen aan de technische kringloop, ze gaan dan verloren en/óf verzwakken de kwaliteit van de technische grondstoffen, maken terugwinning daarvan moeilijker.  Een blend van katoen en gerecyclede PET voor stoffen is dus uit den boze, ook al klinkt het duurzaam.

Biologische stoffen kunnen worden gecomposteerd. Technische stoffen kun je niet zomaar bij elkaar op één hoop gooien, dan verliest het zijn kwaliteit. Die moet je dus weer van elkaar scheiden.  En dat doe je het best in de fabriek waar het eindproduct vandaan kwam. Producten worden dus diensten: aan het einde van hun levensduur gaan ze weer terug. De fabrieken kunnen goedkoop en duurzaam nieuwe producten maken, en op den duur is extra grondstofwinning niet meer nodig. Dus consuminderen hóéft helemaal niet.

Nu zijn er ook materialen die in geen van beide kringlopen passen omdat ze materialen bevatten die gevaarlijk zijn: ze zijn onvermarktbaar. In ieder geval nu, misschien dat er in de toekomst oplossingen komen. Opslaan dus, deze materialen, net als kernafval. Niet storten of verbranden!

Onderlinge relaties

De natuur heeft ons belangrijke lessen te leren. Elke soort is in meer of mindere mate afhankelijk van een andere soort, en ze werken samen voor het succes van het hele ecosysteem. Onze activiteit moet onze directe leefomgeving ondersteunen, werken met lokale materialen, lokale energiestromen en lokale culturele gebruiken. Ons afval moet de lokale grond en water voeden, we moeten zinnige, lokale beroepen creëren, lokale tradities gebruiken. Zo zijn er traditionele manieren om huizen te verwarmen en te koelen, die we van de Maori’s (boomschors afdakjes tegen de wind of de zon) en Pakistani (windschoepen in schoorstenen) kunnen afkijken, om het gebruik van fossiele brandstoffen te verminderen.

De belangen van het bedrijfsleven en het milieu hoeven elkaar niet te bijten. MVO is nog steeds ongemakkelijk en geen doelgerichte wisselwerking. Eco-effectiviteit ziet het bedrijfsleven juist als de motor van verandering en respecteert de behoeften van de industrie. Het boek visualiseert dit als een driehoek, waarin Economie opschuift richting Rechtvaardigheid (sociaal) en dan richting Ecologie. En als je een gebouw ontwerpt dat zonlicht omzet in méér energie dan het zelf nodig heeft, dan schuif je vanuit Ecologie weer richting Economie: eco-effectiviteit.  Waar Economie de overhand krijgt, is weer sprake van eco-efficiency.

Interessant is de uitgebreide beschrijving van de aanpak van het Rouge complex van Ford in de VS. Eén van de innovaties is een volledig groen dak, beplant met sedum. Het leverde een besparing op van $32 miljoen op regenwaterzuivering. Ook heeft het veel verbeteringen om het werken prettig te maken en de buitenruimte gezonder. Heel veel werknemers geloofden er niet in, maar zijn inmiddels óm.

Stappenplan

Natuurlijk heeft het boek een stappenplan om eco-effectief te werken.

  1. Maak je ‘vrij van’ de bekende boosdoeners. Maar vervang het ene schadelijke materiaal niet door een onbekende andere.
  2. Volg goed geïnformeerde persoonlijke voorkeuren. Je zult nooit precies weten wat er in een ingekochte stof zit, veel informatie valt onder intellectueel eigendom. En is het materiaal er niet, kun je het dan (laten) maken?
  3. Maak een passieve positieve stoffen-lijst. Kijk naar ontstaan, gebruik en afvoer van de stof en schrijf alle negatieve effecten op. De ergste zet je op een X-lijst. Verwijder ze en, als mogelijk, vervang ze. Problematische stoffen waarvan verwijdering iets minder urgent is, of waarvoor geen alternatieven zijn, zet je op de grijze lijst. Alle stoffen waarvan je zeker weet dat ze niet schadelijk zijn en die je wél wilt gebruiken zet je op de P (van positief)-lijst.
  4. Activeer de positieve lijst. Je ontwerpt nieuwe producten met alléén de stoffen op de P-lijst.
  5. Opnieuw uitvinden. In plaats van herontwerpen, ga je terug naar de basis en ontwerp je met ‘voedend’ als extra criterium. Dus geen ‘positieve’ auto, maar een ‘voedend voertuig’. Of zelfs: ontwerp een nieuwe infrastructuur voor vervoer’(alle snelwegen overkappen en de ruimte erboven gebruiken?). Of zelfs: ‘ontwerp vervoer.’

Wat is nodig voor eco-effectiviteit? Tijd, inspanning, geld, creativiteit.  We can do it!

Mijn evaluatie van Cradle to Cradle

Tijdens het lezen viel ik van de ene verbazing in de andere: ik had geen idee van al die initiatieven die de auteurs beschrijven. En ook geen idee hoeveel er al kan, als je maar wilt. Deze Nederlandse uitgave bevat ook veel Nederlandse voorbeelden, en ik had er nog nooit van gehoord! Ik was geïnspireerd en enthousiast pende ik alle voorbeelden neer. En toen … ging ik googelen naar wat er van deze initiatieven was geworden. En ik viel alweer van de ene verbazing in de andere. Ik kon er bijzonder weinig over vinden. Het synthetische boek, door de uitgever Durabook genoemd? Niet te vinden, alleen als merk laptop, en ik zie een vermelding hiervan op de Wikipediapagina van het boek. Wat is er met deze innovatie gebeurd? Kantoormeubelenproducent Herman Miller die naar Point Zero wil in 2020? Ik kan op Google of hun website daar niets meer over vinden…Het ingenomen en gerecyclede oplosmiddel van DuPont? Niet te vinden, maar wel het milieuschandaal van datzelfde DuPont.  Het Ford-complex Rouge? Ah, 3 regels op Wikipedia, die draaien om de besparing van 32 miljoen, verder niks. Dus wat leerde ik? Dat er in 23 jaar onvoldoende tijd, inspanning, geld of creativiteit in is gestopt. Ik denk zelf geld, in de vorm van te weinig subsidies, te weinig belastingvoordeel en te veel overnames door old school bedrijven die er vervolgens geen geld meer instoppen. O ja, en te weinig verkopen aan gemotiveerde klanten, die toch liever een goedkopere, maar slechtere variant aanschaffen.

Hoe jammer, want dit boek is bepaald geen verzameling sprookjes, gebaseerd op wensdenken. Nee, alles is aantoonbaar mogelijk, en zelfs al door een van beide auteurs, uitgeprobeerd. Oplosmiddel? In 1986 al door Michael voorgesteld. Rouge? Bedacht door Bill in 1999. De heren weten waarover ze het hebben.

En ook hoe jammer dat dit boek dus nog steeds relevant is, en in zekere zin ook tijdloos. De concepten van Cradle to Cradle zijn nog steeds de beste weg qua duurzaamheid, en een grondige analyse waarom zoveel, na 23 jaar, nog steeds niet van de grond is gekomen, kan waardevolle, tijdloze inzichten verschaffen. Of weten we het al? Hebzucht? Deze gedachten ná het lezen waren bepaald deprimerend.

Het boek is erg goed geschreven, met veel details, ook qua chemische samenstelling en schadelijke stoffen, en met beschrijvingen die je enthousiast maken voor de oplossing. De omslag heeft foto’s van veel genoemde duurzame innovaties, zoals de bureaustoel van Herman Miller, het originele C2C boek, Rouge. Maar ook foto’s van projecten die het achteraf niet gehaald hebben: Venlo’s Innovatoren is wat anders geworden, en het stadskantoor is dan wel volgens C2C gebouwd, maar is niet regeneratief, dus niet voedend. Nike Considered? Nooit echt van de grond gekomen. De Ford U, een C2C-auto? Niets over te vinden. Verder zijn er weinig illustraties in het boek opgenomen, dat is jammer. De structuur van het boek is helder, en combineert de vele details en voorbeelden met een holistische visie op duurzaamheid.

FOMO? Ja toch wel. Het begrip Cradle to Cradle word nog steeds veel gebruikt, en het is zinnig om naar de wieg terug te gaan en je goed te verdiepen en de grondslagen ervan. Ook al word je er verdrietig van …

Conclusie

Inhoud: Leerzaam +, Onderbouwd +, Relevant +, Tijdloos +.

Vorm: Aansprekend+, Verzorgd +, Illustraties 0, Structuur +, Schrijfstijl +

FOMO +. 

Ik gaf het boek 4 ½ *

Ken je dit boek? Wat vond je ervan? 

Lees Cradle to Cradle duurzaam …

  • via de (online) bibliotheek; 
  • digitaal via Kobo;
  • of uit een minibieb (dat deed ik ook!)!

Koop Cradle to Cradle duurzaam … 

  • bij de kringloop;
  • bij een tweedehandsboekenwinkel zoals Boekwinkeltjes;
  • niet meer beschikbaar bij je lokale boekwinkel, via Libris (aff.);
  • of via B-Corp Bol (aff).

Keus genoeg!

Abonneer je hier op de wekelijkse blog-updates!

Dit bericht werd geplaatst in Sustainability en getagd met , , , , . Maak de permalink favoriet.

Plaats een reactie